Rosa Groen
docent, onderzoeker, journalist
Recente Tweets
Abonneren
Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!
Laatste reacties
Laatste artikelen

Waarom plannen moeilijk is, ook als je het al heel lang doet

Het maken van een planning is lastig. Of beter: je houden aan een gemaakte planning is hondsmoeilijk. Niet alleen voor studenten, maar voor iedereen die iets wil bereiken. Waarom is dat zo en wat kunnen we eraan doen?

Al jaren maak ik een planning die te ambitieus is. Al jaren lukt het me niet om zaken af te ronden binnen de gewenste tijd. Laatst was ik op een werklunch over planmatig werken. Wat blijkt? Het is niet alleen voor perfectionisten moeilijk om een planning te maken en zich eraan te houden: het is gewoon menselijk! Vooral als het iets is dat je voor jezelf doet en niet voor een ‘baas’.

Zo heb ik bijvoorbeeld (bijna) geen moeite om tentamens op tijd af te ronden en op tijd na te kijken, colleges goed voor te bereiden of andere zaken die met onderwijs te maken hebben. Maar als het om ‘mijn’ onderzoek gaat, is het andere koek. Nu is dat een meerjarenplanning, wat de zaken compliceert. Maar het is ook zo dat een bepaald mechanisme optreedt als je iets moeilijks ver vooruit plant.

Je betere zelf

Als je in de toekomst jezelf iets ziet doen, dan is het beeld van jou in de toekomst meestal te rooskleurig. Met het maken van een planning hou je rekening met ‘je betere zelf’. Je kijkt bij het maken van een planning niet naar hoe iets nu gaat, maar naar hoe iets wellicht in de toekomst zou moeten kunnen gaan. In een planning denk je dus eigenlijk aan jouw gewenste zelf: niet wat je kan maar wat je wilt kunnen.

Een mooi beeld, zou je kunnen denken, dat je jezelf in de toekomst dingen beter ziet doen dan in het nu. Maar ook onrealistisch. Wat je bereikt met planningen die je niet haalt, is dat je teleurgesteld raakt in jezelf. Dat je tegen jezelf kunt zeggen: zie je wel, ik kan het niet. Dat je jezelf als het ware ontmoedigt om verder te gaan. Dat is natuurlijk niet de bedoeling van een planning!

Nieuwe planning

Hier een aantal tips om een realistische planning te maken, als blijkt dat de ‘betere zelf’ weer eens de leiding neemt:

  • Hou rekening met de omweg die je meestal neemt naar een einddoel door tijd in te ruimen voor mislukkingen.
  • Kijk naar de afgelopen weken en hoeveel tijd een bepaalde taak gekost heeft, neem dat tempo als voorbeeld voor de toekomst.
  • Of, als je significant sneller moet werken dan je nu doet: bekijk goed wat je dan moet laten schieten, waar je de tijd vandaan kunt halen.
  • Schrijf niet alleen de deadlines op, maar specifiek waaraan je werkt en wanneer, tot de deadline.
  • Ruim tijd in voor opruimen, boodschappen doen en sporten.
  • En de belangrijkste: maak een nieuwe planning als je de oude niet heb gehaald.

Dat is precies wat ik nu ga doen.

 
 
Reacties

Opinie in Het Parool, 28 april 2017

Reacties

Zie hier mijn drieluik op YouTube! 

1.  https://youtu.be/YztB4mSRPgI

2. https://youtu.be/tJN2CZBsPqA

3. https://youtu.be/H8onwOlQ0JE

 

 Veel plezier! 

 

Reacties

Afgezien van alle poep- en plasgrapjes van onze zoon krijgen we nu ook anekdotes te horen over zaken die - tot zijn grote hilariteit - 'opsekop' zijn. Die beginnen meestal met 'Weet je wat ik in Artis gezien heb?'. Dan komen ze langs: 'een jaguar opsekop!'. Een giraffe, een olifant, pappa, een boom en nog meer dingen die hij voorbij ziet komen, zijn allemaal opsekop. 

Ook heeft hij het vaak over hoe lief hij ons vindt. Een veel gehoorde uitspraak: 'Mamma, ik vind je zó lief dat ik bijna omval!' en dan maakt hij een omvallend geluid, of stort hij tegen me aan. 

Er zijn bovendien steeds betere gesprekken met hem te voeren. Hij vraagt bijvoorbeeld, als ik vertel dat ik studenten ga lesgeven: 'Wat leren ze dan?' Of hij vraagt aan zijn oom, na wat opmerkingen over zijn werk: 'Oh ja?' en 'Ben je goed?' Hoe geïnteresseerd voor een mannetje van drieëneenhalf. Laatst vroeg hij aan zijn pappa: 'Hoe ziet een bekeuring eruit?' Wat een goede vraag! 

Zijn zusje P. zegt nog niet zo veel, behalve 'babba' of 'pappa', maar zij is ook nog maar 11 maanden. 

Tot zover!  

Reacties

Den Haag innoveert. Den Haag leert. Terwijl zoveel nieuwe ontwikkelingen gaande zijn in de internationale Hofstad, kijkt De Haagse Hogeschool misschien nog te veel naar binnen.

Gemeente Den Haag richt zich met het project Programma Internationaal op innovatie op het gebied van vrede en recht. De van oudsher Legal Capital of the World profileert zich als ontmoetingsplaats voor mondiale vraagstukken. Dit doet zij door een sterkere economische positie in te nemen, meer kennis en innovatie onderdak te bieden en beter cross-overs te clusteren en faciliteren.

De afgelopen jaren is Den Haag op dit gebied succesvol. De NAVO heeft het nieuwe NCIA geopend op de Oude Waalsdorperweg, ook wel ‘de Appstore van de NAVO’, Universiteit Leiden heeft het Centre 4 Innovation opgericht in het nieuwe Wijnhavengebouw op de Turfmarkt, UN OCHA start deze maand nog met zijn Centrum voor Humanitaire Data: een initiatief waardoor mensen in noodsituaties beter toegang hebben tot belangrijke informatie.

Dan heb ik het nog niet over het Kosovo Tribunaal, ook wel Kosovo Relocated Specialist Judicial Institution,dat in het oude Europolgebouw op de Raamweg komt, de uitbreiding van Europol met 300 medewerkers (en hun gezinnen) op de nieuwe locatie, met als gevolg daarvan een giga uitbreiding van de Europese school. Of wat dacht je van de nieuwe Internationale Commissie voor Vermiste Personen (ICMP) met het hoofdkwartier op de Koninginnegracht, dat helpt om vermiste personen op te sporen en rechtshulp biedt aan nabestaanden? Het zijn allemaal mijlpalen voor de stad.

Maar, hoor ik u al denken, wat hebben wij hier als Haagse Hogeschool dan aan? Nou, heel veel! Er blijkt in het internationale werkveld een gebrek te zijn aan goed geschoold personeel, juist uit het hoger beroepsonderwijs. Denk aan facility managers, technici, administratief- en communicatiepersoneel. Er blijkt uit een gap-analyse van het International Community Platform (ICP) dat tussen de lokale afgestudeerden en het internationale werkveld zich op de een of andere manier een mismatch manifesteert. Groepen communiceren langs elkaar heen.

In oktober 2016 vond op onze technische locatie in Delft de Captains’ Conference plaats, juist om talenten en talentzoekenden elkaar te laten treffen. Dit was een succes; in de Metropool Rotterdam Den Haag zijn allerlei nieuwe contacten gelegd. Echter, er gebeurt  nog te weinig tussen studenten en dit innovatieve werkveld. Er zijn uitzonderingen, maar ik denk dat De Haagse nog veel meer kan doen om die verbinding te maken.

In mei / juni gaan wij met studenten op International Experience trip in Den Haag en bezoeken we een aantal bedrijven en organisaties waar kan worden genetwerkt. Projectonderwijs leent zich uitstekend voor samenwerken of sparren in de nog te plaatsen fysieke ‘hubs’. De gemeente wil overigens ook graag dat het onderwijs meer aansluiting zoekt. Laat studenten een fellowship aanvragen, informeer u en wordt onderdeel van het netwerk van The Hague Humanity Hub! Hier liggen enorme kansen. 

Reacties

Vrouwen onder elkaar zijn misschien hard, maar misschien kunnen mannen iets leren van onze pragmatiek en (zelf)kritiek?

Als ik ’s ochtends onze peuter naar het kinderdagverblijf – met de zeventigerjaren benaming ‘Kresj’ – breng, lijkt het wel alsof de moeders een wedstrijdje doen: wie-het-langst-bij-haar-kind-blijft-om-voor-te-lezen. Ik krijg het gevoel dat ze elkaar, en mij, aankijken met een blik die zegt: ‘Ik ben een hele goeie moeder!’. De vaders zijn na het droppen van hun kroost al gauw weer de deur uit. Wat Jacco van Uden in zijn blog schrijft, is misschien wel waar. Vrouwen kunnen behoorlijk veroordelend zijn naar elkaar.

Ander voorbeeld: laatst kwam er een makelaarsmevrouw in ons huis kijken, nam mij met twee kleine kinderen waar en vroeg, nadat ik desgevraagd uitlegde wat mijn man deed: ‘En, werk jij ook nog?’. Dit was een vraag waar ik even geen antwoord op had. Achteraf wist ik wat ik had moeten zeggen: ‘Eh, ja ik ben de kostwinner’ of ‘als ik niet zou werken, konden we niet in dit huis wonen’ of ‘ja, nog veertig jaar ongeveer’. Maar ik stamelde dat ik twee dagen per week lesgeef en daarnaast een promotieonderzoek doe. De vrouw liet me niet uitpraten.

Er is een cartoon waar een vrouw een man vraagt: ‘Waar denk je nu aan?’, met daaronder de tekst: ‘De grootste angst van een man’ (dan moet je dus iets verzinnen waar je aan dacht!). Waar vrouwen vaak druk zijn in hun hoofd, denken mannen vaak helemaal niets. Leeghoofden zijn het. Een functioneringsgesprek tussen twee mannen zou er als volgt uit kunnen zien:

Werkgever: En, hoe vind je dat je functioneert?
Werknemer: Prima
Werkgever: Mooi
Werknemer: …
Werkgever: Nog bijzonderheden?
Werknemer: Ik wil drie schalen omhoog
Werkgever: Doen we, leg je ons gesprek nog even vast?
Werknemer: Moet ik dat doen?
Werkgever: Ja, roep de volgende maar

Mannen maken er vaak een potje van. Ze zien er niet uit, peuteren in hun neus, laten buikharen uit hun overhemd kruipen, stinken uit hun mond of hebben zweetplekken onder hun oksels. Wordt daar voor de spiegel in het herentoilet over gesproken? Volgens mij niet. Laatst zag ik een pappa rokend telefoneren, terwijl zijn kind in het fietsstoeltje zat te huilen. Geen enkele man in de buurt die er iets van zei. Je hoort wel eens de term loedermoeders, maar zijn dit geen rommelvaders, prutspappa’s? Als er nou eens wat onderlinge kritiek was, dan hoeven vrouwen dat niet ook nog te doen!

Mannen blijven vaker fulltime werken als er kinderen komen, in tegenstelling tot vrouwen die dan liever deeltijd gaan werken. Als het gezin eenmaal is gesticht, schieten ouders vaak in traditionele rolpatronen. Hoe modern ze ook zijn, vrouwen gaan over het algemeen meer aan het huishouden doen, mannen gaan zich juist meer op het werk richten.

Blijkbaar ben ik een uitzondering met mijn voltijdaanstelling en een man die heeft ingeleverd. Andere moeders kijken me daarover nogal eens scheef aan. Als vrouwen elkaar nou eens iets coulanter zouden benaderen, minder veroordelend, elkaar steunend zelfs. Zouden wij misschien iets van vaders onder elkaar kunnen leren?

Reacties

 

Na een vakantie is het altijd even wennen om weer aan het werk te gaan. Vier stappen en dan een grote stap over de waterstrepen richting De Haagse. Met nieuwe schoenen en relaxte pas is het één-twee-drie-vier, Stap-twee-drie-vier.

Als ik hoge schoenen aan heb zijn het vijf stappen tussen de waterstrepen op weg naar De Haagse. Een-twee-drie-vier-vijf en Stap-twee-drie-vier-vijf. Na twee dagen werken in het nieuwe jaar heb ik weer door hoe het loopje gaat.

Glazig
Het is negen uur, dinsdagochtend, voor ons allemaal de eerste les van 2017. Studenten kijken me glazig aan. Studenten dit jaar weer te laten groeien, is één van mijn goede voornemens. Het mooiste van het docentschap is wat mij betreft om te zien hoe studenten zich ontwikkelen.

Maar groeien kan pijn doen. Hard werken is een vereiste om te kunnen groeien en als studenten zich daar niet aan overgeven, wordt het niets met de tentamens en deadlines. Als je studenten wil verleiden zich met hart en ziel aan hun studie te wijden, moet je goed onderwijs geven. Om het onderwijs zo goed mogelijk te kunnen verbeteren, maken we gebruik van evaluaties.

De NSE
Niet alleen de evaluaties van blok 2, maar ook de Nationale Studenten Enquête (NSE) komen eraan. Bovendien evalueren we als docenten ook nog onszelf in de afgelopen onderwijsperiode. Evalueren is goed, maar nemen we wel de goede vervolgstappen? En misschien belangrijker: evalueren we op de goede manier?

We kijken bij de NSE hoeveel studenten er gereageerd hebben. Het lijkt daarbij vooral te gaan om het percentage respons. Als er weinig respons is, zijn de uitkomsten niet representatief of komt de opleiding zelfs helemaal niet op de lijstjes te staan. ‘Kom op studenten, allemaal invullen, het maakt niet uit wat!’, lijkt de boodschap te zijn. Dan kan je namelijk meten wat studenten graag verbeterd willen zien. Faciliteiten, rooster, onderwijs, inhoud, docenten, studielast, vaardigheden en andere aspecten wegen overigens allemaal even zwaar.

Kritiek die bestaat op de NSE is dat de cijfers niet vergelijkbaar zijn, omdat studenten alleen hun eigen onderwijsinstelling beoordelen. Alleen als ze aan meerdere hogescholen of universiteiten hebben gestudeerd zouden beter kunnen vergelijken.

Onvoldoendes
Wat betreft onze eigen evaluaties die studenten aan het einde van ieder blok invullen: docenten die het de studenten niet al te moeilijk maken, worden vaak hoog gewaardeerd, en andersom. Zo had ik vorig jaar bijna een hele eerstejaars klas een onvoldoende op taal gegeven. Vlak daarna kwam de evaluatie en kreeg ik voor het eerst een laag cijfer. Waarom was de waardering laag? De timing van een evaluatie zou wel eens uit kunnen maken voor de uitkomsten.

Een ander punt: moeten we alles wat studenten vinden ook serieus nemen? Als het aan de gemiddelde student ligt, reiken we in hapklare brokjes aan wat ze moeten leren (liefst zonder boek) en tentamineren we alleen wat er op de Powerpoints staat. Ik ben ervoor om goed te luisteren naar studenten en ook om ze te stimuleren om evaluaties in te vullen, maar het is wel belangrijk kritisch met de uitslagen om te gaan. Nogmaals, om te groeien moet er hard gewerkt worden, ook als studenten dit niet leuk vinden. En: een onvoldoende leidt vaak tot een stap voorwaarts in de ontwikkeling. Dat geldt voor studenten, maar ook voor docenten en onderwijsinstellingen.

 






Reacties

Het is een cliché, maar je moet de dingen die je peuter zegt opschrijven. Dat ga ik hieronder snel doen, dus vergeef me het vlugge karakter van dit blog.

Hij heet Japi en vraagt nu (3,3 jaar) veel 'Waarom?'. Niet op de zinnen waar je het verwacht, maar juist op hele normale uitspraken, als 'We gaan nu boodschappen doen'. Verder praat hij sinds twee weken heel netjes, en spreekt hij elke 'n' uit aan het einde van elk woord: 'Wil je met mij dit boek lezennn?', 'Zullenn we voetballenn?', 'Gaann we ontbijtenn?'

Japi heeft ook de neiging om woordgrapjes te maken, die vaak komen van die van zijn vader, zoals 'Joepi! JoePiCi! (UPC)'. Sinds hij Beatlefan is, nu ongeveer een half jaar, komt hij regelmatig met citaten uit liedjes. Als je voorbij loopt en 'Hey' zegt, maakt hij de zin af: 'You got to hide your love away'. Hij zingt ook vaak 'I am the Egg man, I am the Walrus, Koekoekoetjoekoetjoekoetjoetjoe' en 'Help! I need somebody' is zijn favoriet.

Hij heeft ook erg veel interesse in autoriteiten. Los van het schieten dat alleen Lucky Luck en de politie mag doen, volgens hem en zijn vaste oppas Jan, vraagt Japi voortdurend wat de politie ervan zal vinden of zeggen. Niet alleen de politie. Ook Sinterklaas, de Kerstman, de Piloot en Papa. "Wat zegt de politie dan?", "Wat vindt de Kerstman daarvan?" "Wat zegt Sinterklaas dan?" "Wat vindt de Politie? En de Piloot?" Soms is hij zelf even de kerstman.

Verder is hij erg vernuftig en confronterend in zijn taalgebruik. Zegt hij dingen als 'Ik vind O Denneboom lastig', 'Van pappa mag dit niet hè? en 'Mama, heb je te veel gewerkt?', als ik me even niet lekker voel. Ook zag hij laatst aan mij dat ik klaar was met werken. 'Hoe dan?' vroeg ik. 'Aan je hoofd', zei-die. Ik kan nog lang zo doorgaan, maar dit was mijn trigger om weer aan de slag te gaan. Er komt over een paar maanden een update, want zijn taalontwikkeling gaat snel. Ongelofelijk snel. 

Tot dan, of eerder, en een fantastisch 2017 gewenst! 

Japi de kerstman.                                                     Japi en ik.

 

Reacties

Forensen rules

Als forens ben je een paar uur van je werkdag onderweg, overgeleverd aan de grillen van de file of het openbaar vervoer. Eenmaal op de werkplek aangekomen verwacht je dat de reis volbracht is, maar soms lijkt het alsof het snellen de hele dag doorgaat.

“FUUUUUUUUUTTT”. De conducteur blaast op zijn fluit als ik aan kom rennen. Nog net weet ik de trein binnen te springen voordat de deuren dichtgaan. Hijgend ga ik zitten, boven bij het raam in de stiltecoupé. Ja, ik ben een van die zeurpieten die altijd vraagt of mensen stil willen zijn in de stiltecoupé. En ja, ik heb echt last van mensen die niet stil zijn, ook als ik een koptelefoon op heb. Mijn werkdag begint namelijk in de trein.

Als ik na een klein uur werken aankom op Hollands Spoor, loopt de trein leeg richting De Haagse. Ik hoor studentengesprekken om me heen: “Die en die leraar is echt fakking irritant” en “Ik ga wimper extensions laten zetten”, “Wat chill”, “Ja, echt hè”.

Speciale sleutel
In De Haagse gaat het forensen verder. Van mijn laptop naar de werkcomputers, van mijn kamer naar het lokaal, via de beveiliging naar de kolfkamer en daarna de hele route terug. Wij prille moeders moeten vooralsnog altijd langs de receptie om al onze gegevens in te vullen voordat we met een speciale sleutel de kolfkamer in kunnen. Het is om ‘privacy redenen’ niet mogelijk om toegang te krijgen met alleen een campuscard.

Dit leidt tot hilarische, maar ook onhandige situaties als de kamersleutels allemaal al in gebruik zijn: dan moet een kolvende moeder opendoen met alle ongemakken van dien. Na het gebruik van de sleutel dient deze weer te worden afgemeld. Voordat we naar huis vertrekken, begint de gehele santenkraam opnieuw: gegevens opschrijven, sleutel ophalen, gekolfde melk uit de koelkast halen en afmelden.

Computers en printers
Zo gaat het ook ongeveer met de computers in het lokaal en de werkkamer. Aanmelden duurt een kwartier, de PowerPoint openen vijf minuten, om van een online video nog maar te zwijgen. Na een college gegeven te hebben, zijn er vijf minuten nodig om af te melden. Hoe ICT-vaardigwe allemaal ook zijn of willen zijn, de basisbehoeften van docenten, medewerkers en studenten worden in De Haagse niet geheel bediend. Dan heb ik het nog niet eens over de lange en soms vergeefse tocht naar de printers. Als ze weer eens niet werken, moeten alle printopdrachten opnieuw.

Misschien kunnen we er maar beter de humor van inzien. We bedoelen het goed, willen allemaal het beste, maar we werken in een logge organisatie. Zonder regels en procedures kan zo’n grote hogeschool natuurlijk nooit functioneren. Maar waar regels worden opgesteld, leveren die vaak ook onbedoelde hindernissen op.

Na een lange werkdag forens ik weer naar huis. Op de terugweg is de kans op een zitplaats klein, maar als ik die toch gevonden heb, dan ga ik lekker zeuren over stilte in de stiltecoupé. Regels zijn regels.



Reacties

We moeten op De Haagse Hogeschool stoppen met

rendementsdenken. Tailor-made programma’s aanbieden werkt beter

voor iedereen. Houd de lat hoog!

Een (te groot) aantal studenten kan in het vierde jaar nog steeds geen rapport in behoorlijk Nederlands schrijven, geen gedegen woordje Engels spreken, laat staan een professioneel advies geven. Dit is een probleem. We moeten bij De Haagse de lat hoog houden en het niet erg vinden dat er in het selectiejaar veel uitval is.

Selectiejaar
In het eerste jaar moet de selectie plaatsvinden en dat gaat niet altijd goed. Het eerste jaar moet moeilijk zijn, een schifting waar geen zwakke broeders tussendoor glippen. Te vaak strijken wij met de hand over het hart en geven die sympathieke student nog een kans. We moeten streng doch rechtvaardig zijn!

Het is noodzaak dat de beste en meest ervaren docenten zich op het eerste jaar richten. Zij die veel ervaring hebben met studenten en van tevoren kunnen zien waar potentie zit, of de student op de goede plek zit en het niveau van de opleiding aankan.

Uitval
Een gevolg van strenge selectie is veel uitval in het eerste jaar. Daar moeten we niet bang voor zijn; als bij onze (Bedrijfskunde MER-)opleiding een goede vijftig procent van de studenten overblijft kan je daarmee verder en lever je betere studenten af. Kwaliteit kost nu eenmaal geld.

We moeten daarom stoppen uitval te zien als het bewijs van laag studiesucces. Een deel van de studenten die uitvallen gaat naar de universiteit na het eerste jaar. Een gebrek aan succes? Een ander deel vindt een baan of een andere studie. Prima toch? We moeten de ernst van uitval niet overdrijven, vindt ook Jan van Zijl, voormalig voorzitter van de MBO-raad.

Doorstroom
Er wordt vaak gewezen naar het lage niveau van de (mbo-)instroom. Echter, dat doet de vaak gemotiveerde mbo’er onvoldoende recht. Er zijn zoveel succesverhalen van mbo’ers die na het hbo doorstuderen of een eigen bedrijf beginnen. Er zijn net zoveel gevallen bekend van havisten die op het hbo weinig uitvoeren en ongemotiveerd rondlopen.

Tailor-made
Met de diversificatie van onze studentenpopulatie moeten we ook meer divers onderwijs aanbieden. De één is slecht in Nederlands of wiskunde maar kan goed samenwerken, de ander heeft precies tegenovergestelde kwaliteiten. Zij kunnen juist van elkaar leren. Bied de één deficiëntieonderwijs aan, liefst verplicht en buiten normale lesuren, coach de ander in samenwerken.

Willen we de lat hoog houden, dan moeten we aansturen op motivatie, hoge eisen blijven stellen en studenten wegsturen als ze het niet aankunnen. Als zij blijven hangen, is dat voor niemand goed. De student die het eigenlijk niet aankan, zal op zijn tenen moeten blijven lopen, trekt het niveau omlaag, waardoor anderen zich gaan vervelen. Kortom: richt de programma’s meer tailor-made in.





Reacties
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl