Rosa Groen
docent, onderzoeker, journalist
Recente Tweets
Abonneren
Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!
Laatste reacties
Laatste artikelen

We doen ons best om bedrijven aan De Haagse te binden, maar dat kan nog beter.

Op 3 november was ik te gast op de Captains’ Conference in WTC Den Haag, een tweedaags congres over het versterken van Den Haag als ‘global talent hub’. Hoe maak je van deze stad een talentenbroedplaats? Er waren inspirerende sprekers, validatiesessies en ‘escalator pitches’: jonge professionals die met de roltrap omhoog en weer omlaag gingen tijdens hun korte praatje. Er is veel gesproken over de samenwerkingen in de stad, maar ook in de regio en over hoe Den Haag internationaal versterkt kan worden.

Trots

Ik voelde me vereerd dat ook ik op het podium iets mocht zeggen over wat Den Haag kan leren van andere steden en hoe kennis in de stad kan helpen om Internationale Organisaties aan te trekken. De Haagse Hogeschool speelt daarin een belangrijke rol. We doen het goed, sinds september weten we dat wij – wederom – de beste hogeschool van de Randstad zijn en daar ben ik best wel trots op.

Schamen

En toch. Er kwam de eerste avond van de Captains’ Conference een meneer naar me toe van Jacobs Engineering Group. Hij vertelde mij dat hij met bijna alle technische opleidingen in de regio samenwerkt, behalve met die van De Haagse. Hij vertelde mij en twee studenten Bedrijfskunde die mee waren, dat hij ‘zich schaamde’, omdat hij niet eens het hoofd van onze technische opleiding kent. Het maakte hem niets uit, voor ons tien anderen, maar ik vond het pijnlijk. Deze man kende wel veel goede docenten aan onze hogeschool, maar vond dat het CvB hierin het voortouw zou moeten nemen.

Signaal

Het signaal zette mij aan het denken. Het is niet de eerste keer dat ik dit soort geluiden hoor uit het werkveld. Enerzijds zijn we heel actief, individuele docenten doen hun best, ook het Team Externe Relaties van OKC dat vanuit één punt externe contacten onderhoudt, doet het goed. Maar is het niet de taak van directeuren, bestuurders en opleidingsmanagers om bedrijven naar binnen te halen en daar contacten mee te onderhouden? Is het niet zo dat, juist als je met invloedrijke, grote spelers wilt samenwerken, je dan de grote jongens moet sturen: directeuren, CEO’s en hogere managementlagen? Zou niet iedere opleiding verplicht een grote speler kunnen binnenhalen? Ik denk het wel.

We doen het goed, zeker, maar het kan natuurlijk altijd beter. Laten we de bedrijven uit de regio nog meer aan ons verbinden, het liefst zó, dat grote spelers niet om De Haagse heen kunnen.

Reacties

Docenten en studenten spreken verschillende talen. Er gaapt een kloof tussen de twee, zowel in sociaal-cultureel opzicht als in opleidingsniveaus. Logisch natuurlijk. Maar hoe verkleinen we met z’n allen deze afstand?

De laatste tijd hoor ik veel docenten klagen (mijzelf incluis) over studenten die zich grof gedragen in de les, onbeschoft en ongeïnteresseerd zijn, en weinig respect tonen. De klachten gaan vooral over eerstejaars die voor het merendeel vers uit de (middelbare) schoolbanken komen om snel een ‘papiertje te komen halen’. Het principe ‘een leven lang leren’ ontgaat veel studenten in deze fase volledig.

Als je geen ‘papiertje’ hebt, dan tel je nu eenmaal niet mee in onze samenleving. We leven in een diplomademocratie en De Haagse Hogeschool is, samen met vele andere instellingen, een massaal kennisinstituut geworden. Zoals we in een van de vorige blogs hebben kunnen lezen is onze hogeschool in twintig jaar twee keer zo groot geworden.

Het is onrealistisch om ervan uit te gaan dat al deze studenten het niveau ook aankunnen. De diplomadrang zorgt ervoor dat er grote groepen zijn die het eindniveau niet halen. Enerzijds staat het eindniveau onder druk door de wil om studenten te behouden, anderzijds is er een tegengestelde beweging; het hoge onderwijsniveau is heilig. Er is gemiddeld twintig procent uitval na drie jaar. Sommigen vallen snel af, anderen komen in een worsteltraject.

Terug naar de klachten van docenten over studenten. Deze lopen uiteen, van ‘ze hebben géén idee wat er in de kranten staat’ en ‘zitten er als zandzakken bij’, tot ‘ze weten niet eens hoe ze moeten vermenigvuldigen’ en ‘ze kunnen niet eens in fatsoenlijk Nederlands een vraag stellen, laat staan een professionele email schrijven’. Er heerst een wij-zijcultuur.

Veel docenten geven les aan een groep jongeren waarmee zij zich maar moeilijk kunnen identificeren. Zelf hebben ze vaak een universitaire achtergrond, uitzonderingen daargelaten. Een boek lezen omdat het leerzaam of leuk is, de kranten bijhouden: docenten doen dat, maar studenten veel minder. De afstand is groot en over dit soort dingen wordt nauwelijks gesproken.

De kloof kunnen we alleen maar dichten door de wij-zijcultuur te bestrijden en meer samen te werken. Niet alleen als docententeams, maar vooral ook mét de studenten. Het klinkt misschien belerend of geitenwollensokkerig, maar het gaat over betrokkenheid en vertrouwen geven.

Studenten mogen natuurlijk wel wat meer aangespoord worden om zich ook buiten het curriculum te informeren. Denk aan het idee van lector Jacco van Uden: de invoering van een literaire boekenlijst voor het HBO (vijftien romans per opleiding). Geweldig! Een hoogopgeleide leest wel eens een boek, kent haar talen en houdt het nieuws bij. Dat kunnen docenten de jongeren wel aanleren toch?

Reacties

Zie voor de langere versie van dit artikel: https://eurosearch.wordpress.com/2017/09/13/ema-en-eba-wat-is-de-stand-van-zaken/ 

De strijd tussen EU-landen is nu op zijn heetst, om de organisaties EMA en EBA binnen te hengelen. Net als veel bedrijven maken deze agentschappen deel uit van de ‘Brexodus’. Wat is de stand van zaken?

Zoals ik hier al eerder schreef, heeft Nederland Amsterdam naar voren geschoven als mogelijke gaststad voor het European Medicines Agency (EMA). In totaal hebben meer dan twintig landen zich kandidaat gesteld voor deze organisatie en voor de European Banking Authority (EBA). Twee ‘parels van de EU’ die gaan verhuizen. Een aderlating voor het VK en lucratief voor de nieuwe gastheer. Bij het EMA en de EBA samen werken ruim 1000 experts, de agentschappen zijn goed voor 45.000 jaarlijkse bezoekers. Ze werken als een magneet voor talloze vormen van bedrijvigheid. 

Concurrentiestrijd
Het nieuws over deze strijd tussen EU-landen en steden volg ik op de voet, omdat het veel te maken heeft met mijn onderzoek naar internationale organisaties. Het boeit mij enorm hoe er gelobbyd wordt om deze agentschappen binnen te halen en ik denk dat studenten hier veel van kunnen leren, vooral als ingezoomd wordt op hoe belangen van verschillende partijen worden uitgeruild.

Na aanvankelijke interesse van bijna alle EU-landen om zich te kandideren, strijden uiteindelijk 19 landen voor het EMA en acht voor de EBA. Hoeveel moeite deden landen eigenlijk om de wensen van de organisaties zelf te doorgronden? Om bij het EMA te blijven: Nederland, Ierland en Denemarken organiseerden speciale events in Brussel om hun bids te presenteren. Vijf van de 23 geïnteresseerde landen hadden geen tijd om het EMA in Londen te bezoeken. Van de landen die dat wel deden, was Hongarije de eerste. Sommige landen hebben méér dan eens het agentschap bezocht, waaronder Oostenrijk (drie keer), Denemarken en Frankrijk (beide twee keer). Ministers van gezondheid van nog zeven andere landen zijn allemaal langs geweest. Andere landen hebben plaatsvervangers gestuurd. Allemaal lieten ze flyers achter om EMA-personeel te overtuigen om in hún land te komen wonen en werken.

Arjen Lubach parodie
Alle pitches zijn op de website van de Europese Raad (ER) te zien. Met filmpjes, tekst en websites proberen landen zich van elkaar te onderscheiden. Het filmpje voor Nederland doet soms denken aan een Arjen Lubach parodie. Het filmpje begint met: “After all, we’re not that different: We also have a very stylish queen and we enjoy fish and chips” (beeld van een man die een haring naar binnen hapt). Vervolgens worden een aantal meer relevante zaken genoemd, maar dan eindigt het met “The Dutch are open-minded folk, with a lively international capital to prove it” (plaatje van Koningsdagvierders). Overtuigender lijken de filmpjes van andere landen: minder volksaard en meer steekhoudende argumenten. Als je de pitches achter elkaar bekijkt, lijkt het net het Eurovisiesongfestival. Misschien is de strijd om Europese agentschappen wel een leuk alternatief voor die steeds saaier wordende liedjeswedstrijd. 

Lobby
Na het indienen van de pitches is het lobbyen begonnen. Hoewel de EBA en EMA als twee verschillende gevallen behandeld moeten worden, gaan er geruchten over ruilhandel. Frankrijk zou aan Duitsland voorgesteld hebben om Frankfurt de EBA te gunnen, als het EMA in Lille terecht zou komen. Een ander verhaal gaat dat de Fransen hun steun zouden uitspreken voor Frankfurt als een Oost-Europees land voor het EMA in aanmerking zou komen, in ruil voor het financieel versterken van een bestaand Frans agentschap. Best ingewikkeld allemaal. Duitsland wedt op beide agentschappen, in de hoop dat het in ieder geval de EBA binnenhaalt. Ondertussen wordt door de Oost-Europeanen achter de schermen gelobbyd om voorrang te krijgen op landen die al een agentschap hebben.

 

Wat zal het worden? Geeft de Europese Raad voorrang aan een land dat nog geen agentschappen heeft, of aan een centraal gelegen stad die makkelijk bereikbaar is en waar de transitie soepel zal verlopen? Het hangt af van de lobby en hoeveel steunruil er plaatsvindt. Het land met het meeste ‘wisselgeld’ en de slimste onderhandelaars zal uiteindelijk de winnaar zijn.

 




Reacties

Japi zegt steeds meer dingen waar ik van ophoor. Zo vertelde ik hem vorige week dat de buschauffeur doorreed terwijl ik dacht dat hij voor me zou stoppen. Japi's antwoord: "Jij hebt altijd van die stomme dingen. Dat heb ik nooit! Als ik mijn hand ophoud, dan stopt de bus gewoon."

Misschien niet zo bijzonder, zo'n antwoord, maar voor iemand van drie.. oké, bijna vier?!

Japi is tegenwoordig helemaal in een dinosauriërstijdperk en verzint namen als Stekelosaurus, chyromontorosaurus, etc. Ook heeft hij het over race-auto's die zó snel rijden: 'van Zuid-Amsterdam tot Afrika!'. En als je aan hem vraagt wanneer hij groot is, want al het interessante begint voor hem als hij groot is, dan is het antwoord steevast: "in september". Dan wordt hij vier. Een nieuwe fase breekt aan. Beware.





Reacties

Waarom plannen moeilijk is, ook als je het al heel lang doet

Het maken van een planning is lastig. Of beter: je houden aan een gemaakte planning is hondsmoeilijk. Niet alleen voor studenten, maar voor iedereen die iets wil bereiken. Waarom is dat zo en wat kunnen we eraan doen?

Al jaren maak ik een planning die te ambitieus is. Al jaren lukt het me niet om zaken af te ronden binnen de gewenste tijd. Laatst was ik op een werklunch over planmatig werken. Wat blijkt? Het is niet alleen voor perfectionisten moeilijk om een planning te maken en zich eraan te houden: het is gewoon menselijk! Vooral als het iets is dat je voor jezelf doet en niet voor een ‘baas’.

Zo heb ik bijvoorbeeld (bijna) geen moeite om tentamens op tijd af te ronden en op tijd na te kijken, colleges goed voor te bereiden of andere zaken die met onderwijs te maken hebben. Maar als het om ‘mijn’ onderzoek gaat, is het andere koek. Nu is dat een meerjarenplanning, wat de zaken compliceert. Maar het is ook zo dat een bepaald mechanisme optreedt als je iets moeilijks ver vooruit plant.

Je betere zelf

Als je in de toekomst jezelf iets ziet doen, dan is het beeld van jou in de toekomst meestal te rooskleurig. Met het maken van een planning hou je rekening met ‘je betere zelf’. Je kijkt bij het maken van een planning niet naar hoe iets nu gaat, maar naar hoe iets wellicht in de toekomst zou moeten kunnen gaan. In een planning denk je dus eigenlijk aan jouw gewenste zelf: niet wat je kan maar wat je wilt kunnen.

Een mooi beeld, zou je kunnen denken, dat je jezelf in de toekomst dingen beter ziet doen dan in het nu. Maar ook onrealistisch. Wat je bereikt met planningen die je niet haalt, is dat je teleurgesteld raakt in jezelf. Dat je tegen jezelf kunt zeggen: zie je wel, ik kan het niet. Dat je jezelf als het ware ontmoedigt om verder te gaan. Dat is natuurlijk niet de bedoeling van een planning!

Nieuwe planning

Hier een aantal tips om een realistische planning te maken, als blijkt dat de ‘betere zelf’ weer eens de leiding neemt:

  • Hou rekening met de omweg die je meestal neemt naar een einddoel door tijd in te ruimen voor mislukkingen.
  • Kijk naar de afgelopen weken en hoeveel tijd een bepaalde taak gekost heeft, neem dat tempo als voorbeeld voor de toekomst.
  • Of, als je significant sneller moet werken dan je nu doet: bekijk goed wat je dan moet laten schieten, waar je de tijd vandaan kunt halen.
  • Schrijf niet alleen de deadlines op, maar specifiek waaraan je werkt en wanneer, tot de deadline.
  • Ruim tijd in voor opruimen, boodschappen doen en sporten.
  • En de belangrijkste: maak een nieuwe planning als je de oude niet heb gehaald.

Dat is precies wat ik nu ga doen.

 
 
Reacties

Opinie in Het Parool, 28 april 2017

Reacties

Zie hier mijn drieluik op YouTube! 

1.  https://youtu.be/YztB4mSRPgI

2. https://youtu.be/tJN2CZBsPqA

3. https://youtu.be/H8onwOlQ0JE

 

 Veel plezier! 

 

Reacties

Afgezien van alle poep- en plasgrapjes van onze zoon krijgen we nu ook anekdotes te horen over zaken die - tot zijn grote hilariteit - 'opsekop' zijn. Die beginnen meestal met 'Weet je wat ik in Artis gezien heb?'. Dan komen ze langs: 'een jaguar opsekop!'. Een giraffe, een olifant, pappa, een boom en nog meer dingen die hij voorbij ziet komen, zijn allemaal opsekop. 

Ook heeft hij het vaak over hoe lief hij ons vindt. Een veel gehoorde uitspraak: 'Mamma, ik vind je zó lief dat ik bijna omval!' en dan maakt hij een omvallend geluid, of stort hij tegen me aan. 

Er zijn bovendien steeds betere gesprekken met hem te voeren. Hij vraagt bijvoorbeeld, als ik vertel dat ik studenten ga lesgeven: 'Wat leren ze dan?' Of hij vraagt aan zijn oom, na wat opmerkingen over zijn werk: 'Oh ja?' en 'Ben je goed?' Hoe geïnteresseerd voor een mannetje van drieëneenhalf. Laatst vroeg hij aan zijn pappa: 'Hoe ziet een bekeuring eruit?' Wat een goede vraag! 

Zijn zusje P. zegt nog niet zo veel, behalve 'babba' of 'pappa', maar zij is ook nog maar 11 maanden. 

Tot zover!  

Reacties

Den Haag innoveert. Den Haag leert. Terwijl zoveel nieuwe ontwikkelingen gaande zijn in de internationale Hofstad, kijkt De Haagse Hogeschool misschien nog te veel naar binnen.

Gemeente Den Haag richt zich met het project Programma Internationaal op innovatie op het gebied van vrede en recht. De van oudsher Legal Capital of the World profileert zich als ontmoetingsplaats voor mondiale vraagstukken. Dit doet zij door een sterkere economische positie in te nemen, meer kennis en innovatie onderdak te bieden en beter cross-overs te clusteren en faciliteren.

De afgelopen jaren is Den Haag op dit gebied succesvol. De NAVO heeft het nieuwe NCIA geopend op de Oude Waalsdorperweg, ook wel ‘de Appstore van de NAVO’, Universiteit Leiden heeft het Centre 4 Innovation opgericht in het nieuwe Wijnhavengebouw op de Turfmarkt, UN OCHA start deze maand nog met zijn Centrum voor Humanitaire Data: een initiatief waardoor mensen in noodsituaties beter toegang hebben tot belangrijke informatie.

Dan heb ik het nog niet over het Kosovo Tribunaal, ook wel Kosovo Relocated Specialist Judicial Institution,dat in het oude Europolgebouw op de Raamweg komt, de uitbreiding van Europol met 300 medewerkers (en hun gezinnen) op de nieuwe locatie, met als gevolg daarvan een giga uitbreiding van de Europese school. Of wat dacht je van de nieuwe Internationale Commissie voor Vermiste Personen (ICMP) met het hoofdkwartier op de Koninginnegracht, dat helpt om vermiste personen op te sporen en rechtshulp biedt aan nabestaanden? Het zijn allemaal mijlpalen voor de stad.

Maar, hoor ik u al denken, wat hebben wij hier als Haagse Hogeschool dan aan? Nou, heel veel! Er blijkt in het internationale werkveld een gebrek te zijn aan goed geschoold personeel, juist uit het hoger beroepsonderwijs. Denk aan facility managers, technici, administratief- en communicatiepersoneel. Er blijkt uit een gap-analyse van het International Community Platform (ICP) dat tussen de lokale afgestudeerden en het internationale werkveld zich op de een of andere manier een mismatch manifesteert. Groepen communiceren langs elkaar heen.

In oktober 2016 vond op onze technische locatie in Delft de Captains’ Conference plaats, juist om talenten en talentzoekenden elkaar te laten treffen. Dit was een succes; in de Metropool Rotterdam Den Haag zijn allerlei nieuwe contacten gelegd. Echter, er gebeurt  nog te weinig tussen studenten en dit innovatieve werkveld. Er zijn uitzonderingen, maar ik denk dat De Haagse nog veel meer kan doen om die verbinding te maken.

In mei / juni gaan wij met studenten op International Experience trip in Den Haag en bezoeken we een aantal bedrijven en organisaties waar kan worden genetwerkt. Projectonderwijs leent zich uitstekend voor samenwerken of sparren in de nog te plaatsen fysieke ‘hubs’. De gemeente wil overigens ook graag dat het onderwijs meer aansluiting zoekt. Laat studenten een fellowship aanvragen, informeer u en wordt onderdeel van het netwerk van The Hague Humanity Hub! Hier liggen enorme kansen. 

Reacties

Vrouwen onder elkaar zijn misschien hard, maar misschien kunnen mannen iets leren van onze pragmatiek en (zelf)kritiek?

Als ik ’s ochtends onze peuter naar het kinderdagverblijf – met de zeventigerjaren benaming ‘Kresj’ – breng, lijkt het wel alsof de moeders een wedstrijdje doen: wie-het-langst-bij-haar-kind-blijft-om-voor-te-lezen. Ik krijg het gevoel dat ze elkaar, en mij, aankijken met een blik die zegt: ‘Ik ben een hele goeie moeder!’. De vaders zijn na het droppen van hun kroost al gauw weer de deur uit. Wat Jacco van Uden in zijn blog schrijft, is misschien wel waar. Vrouwen kunnen behoorlijk veroordelend zijn naar elkaar.

Ander voorbeeld: laatst kwam er een makelaarsmevrouw in ons huis kijken, nam mij met twee kleine kinderen waar en vroeg, nadat ik desgevraagd uitlegde wat mijn man deed: ‘En, werk jij ook nog?’. Dit was een vraag waar ik even geen antwoord op had. Achteraf wist ik wat ik had moeten zeggen: ‘Eh, ja ik ben de kostwinner’ of ‘als ik niet zou werken, konden we niet in dit huis wonen’ of ‘ja, nog veertig jaar ongeveer’. Maar ik stamelde dat ik twee dagen per week lesgeef en daarnaast een promotieonderzoek doe. De vrouw liet me niet uitpraten.

Er is een cartoon waar een vrouw een man vraagt: ‘Waar denk je nu aan?’, met daaronder de tekst: ‘De grootste angst van een man’ (dan moet je dus iets verzinnen waar je aan dacht!). Waar vrouwen vaak druk zijn in hun hoofd, denken mannen vaak helemaal niets. Leeghoofden zijn het. Een functioneringsgesprek tussen twee mannen zou er als volgt uit kunnen zien:

Werkgever: En, hoe vind je dat je functioneert?
Werknemer: Prima
Werkgever: Mooi
Werknemer: …
Werkgever: Nog bijzonderheden?
Werknemer: Ik wil drie schalen omhoog
Werkgever: Doen we, leg je ons gesprek nog even vast?
Werknemer: Moet ik dat doen?
Werkgever: Ja, roep de volgende maar

Mannen maken er vaak een potje van. Ze zien er niet uit, peuteren in hun neus, laten buikharen uit hun overhemd kruipen, stinken uit hun mond of hebben zweetplekken onder hun oksels. Wordt daar voor de spiegel in het herentoilet over gesproken? Volgens mij niet. Laatst zag ik een pappa rokend telefoneren, terwijl zijn kind in het fietsstoeltje zat te huilen. Geen enkele man in de buurt die er iets van zei. Je hoort wel eens de term loedermoeders, maar zijn dit geen rommelvaders, prutspappa’s? Als er nou eens wat onderlinge kritiek was, dan hoeven vrouwen dat niet ook nog te doen!

Mannen blijven vaker fulltime werken als er kinderen komen, in tegenstelling tot vrouwen die dan liever deeltijd gaan werken. Als het gezin eenmaal is gesticht, schieten ouders vaak in traditionele rolpatronen. Hoe modern ze ook zijn, vrouwen gaan over het algemeen meer aan het huishouden doen, mannen gaan zich juist meer op het werk richten.

Blijkbaar ben ik een uitzondering met mijn voltijdaanstelling en een man die heeft ingeleverd. Andere moeders kijken me daarover nogal eens scheef aan. Als vrouwen elkaar nou eens iets coulanter zouden benaderen, minder veroordelend, elkaar steunend zelfs. Zouden wij misschien iets van vaders onder elkaar kunnen leren?

Reacties
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl