Rosa Groen
docent, onderzoeker, journalist
Recente Tweets
Abonneren
Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!
Laatste reacties
Laatste artikelen

Sinds we niet meer in de stad wonen maar in een Noord-Hollands dorp, is de Kermis een deel van ons voorjaar geworden. Je kunt er – ook als verdwaalde ex-stedeling – niet omheen.

 

De Kermis is een fenomeen in Noord-Holland. Wie in een dorp woont, kijkt het hele jaar uit naar de Kermis. Deze bestaat voor kinderen uit spelletjes, pannenkoeken en de zweefmolen, voor anderen uit bier drinken, bijpraten en voor weer anderen hossen op muziek in het dorpscafé. Maar ook: Oudhollands koeschijten (wie raadt de plek waar de koe op het veld haar behoefte zal doen?), hoefijzerwerpen, de oldtimeroptocht met alle oude tractors en auto’s uit de omgeving en het kampioenschap Zeismaaien. 

 

We zijn geen stedeling meer, maar dorpeling. We zijn geen trendsetters, maar -volgers. Een groeiend deel van de jonge gezinnen trekt weg uit de steden, al jaren. Wij behoren tot de veertig procentvan de stellen die binnen vier jaar na de geboorte van het eerste kind Amsterdam heeft verruild voor een rustiger oord. Uit Den Haag vertrekt 27% van de jonge gezinnen. 

 

Dit weekend was voor ons de tweede Kermis. De kinderen openden de Kermis op vrijdag per versierde fiets, de volgende ochtend volgden de Kinderspelen en pannenkoeken op het veld. De pannenkoekenbakker zei tegen een medekermisganger: ‘ik werd wakker op de bank vanmorgen, het voelde niet of ik geslapen had’. De ander: ‘ik zou logeren bij vrienden, maar omdat hun telefoon uit stond ben ik maar in de tent gaan slapen.’ De kroeg was tot vier uur ’s nachts stampvol geweest en dat was nog maar nacht één. 


Meestal gebeurt er niets in dit dorp en gaat iedereen zijn eigen gang, maar met de Kermis is dit echt anders. Na een korte tweede nacht (voor de meesten) kwam om negen uur een bus met grote luidsprekers langs. ‘WAKKER WORDEN WAKKER WORDEN WAKKER WORDEN’ klonk de ‘muziek’ zo luid, dat doorslapen inderdaad geen optie was. 

Daarna begon de oldtimeroptocht waar ook wij met onze oude auto aan meededen. Iedereen langs de kant van de weg zwaaide en de bestuurders kregen spekjes en biertjes aangereikt. Op het grote veld was vervolgens de BBQ, een poffertjeskraam en de taartenbakwedstrijd. Het springkussen werd weer opgeblazen. Na wat praten, foto’s schieten, zweven in de zweefmolen en draaien in de draaimolen op de middagkermis was het voor ons wel weer genoeg. Voldaan zijn we naar huis gegaan, terwijl achter ons bij het dorpscafé de Kermis aanzwol op weg naar zijn laatste hoogtepunt. 

 

 

 

 

Reacties

Onze zoon is vierenhalf, hij zit op zwemles. Hij wil wel zijn A en B halen, maar niet zijn C. Dat weet hij nu al. Maar we leren een leven lang. 

Op de hogeschool weten we: competenties moet je blijven verzamelen. Niet alleen als student is dit belangrijk, maar ook docenten blijven zich scholen. Voor mijn onderzoek haalde ik eerder dit jaar ‘Open interviewing and Data analysis’ en ‘Research Integrity’, de komende week sluit ik de cursus ‘Planning & Managing your PhD’ af. Voor het docentschap heb ik net mijn Senior Kwalificatie Examinering (SKE) behaald.

Besef

De Basis Kwalificatie Examinering (BKE) is verplicht, de SKE kan je als docent daarna volgen. Het idee achter deze twee cursussen is mooi: doordat we allemaal een cursus in toetsing volgen, zullen we de toetsen doordachter maken, eerder aanleveren, beter laten aansluiten op de lesstof en meer besef hebben van het belang van toetsen. Bovendien gaan we met de tijd mee.

Trends in toetsing

Een paar trends in toetsing zijn: meer individuele toetsen (in plaats van groepswerk) en meer opbouwend tijdens de lesperiodes, zodat het voor studenten aantrekkelijker wordt om constant met de lesstof bezig te zijn. Het is de bedoeling van dit systeem om het aantal herkansers te verminderen en liefst helemaal tot nul terug te brengen. Studenten halen voortaan de toetsen in één keer: dat is de ideale wereld. Toetsbekwame docenten maken beter lerende studenten, die daardoor nog beter aan hun competenties kunnen werken.

Crux

De crux van de BKE en SKE is volgens mij de dialoog die ontstaat tussen collega’s, vaak hogeschoolbreed, over het belang van goede toetsen. Als we er intensief mee bezig zijn, dan wordt de kwaliteit ook beter. Zo is het idee. En zo verzamelen we als docenten de ene competentie na de andere. We leren een leven lang.

De echte wereld

Studenten die denken dat ze straks na hun afstuderen klaar zijn met leren, komen in de ‘echte wereld’ bedrogen uit. Als zij na hun afstuderen een baan krijgen, zullen zij ook verder moeten gaan met competenties verzamelen, op hun werk en daarbuiten.

Duikbrevet

Het zal me dan ook niets verbazen als onze zoon na het behalen van zijn zwemdiploma’s A en B er anders over gaat denken. Wie weet wil hij vervolgens toch zijn C en later nog zijn duikbrevet en vaarbewijs.

 
Reacties

Al in 2015 startte ik een onderwijslog: een ‘dagboek’ met onderwijservaringen. Hiervan kan je leren als docent; het is handig om oude ervaringen te kunnen teruglezen, en erbij te pakken in nieuwe, vergelijkbare situaties.

Maart 2018. Een groepje studenten rondt na vijf maanden een project af en blijkt onderling ernstig verdeeld. Groepswerk is moeilijk, helemaal als het onderzoeksobject en de groepssamenstelling niet zelf zijn gekozen. Bij dit project lopen de meningsverschillen hoog op.  In de groep van vijf studenten is het ‘jongens tegen de meisjes’ geworden; op de dag van de deadline schieten verwijten over en weer over tafel. De aanvoerder van de groep is woedend op twee andere groepsleden en ook op ons. Gelukkig ben ik niet alleen, er zijn er twee begeleiders per klas voor de projectgroepen; we proberen de dialoog tussen de studenten gaande te houden. De stem van het hoofd van de groep breekt: ‘Maar mevrouw, u moet dit begrijpen! Zij hebben niets gedaan en ík wil een voldoende halen!” Die halen ze niet. De opdracht is niet naar behoren uitgevoerd.

Evaluatie

April 2018. De groep gaat voor de herkansing. Bij de evaluatieles blijkt dat de ene helft van het groepje wel wat ingeleverd heeft en de andere niet. Ze weten niet van elkaar wat ze hebben gedaan. We accepteren van de andere helft op dezelfde dag ook nog een groepsrapport. Het groepsproces is al met al een grote mislukking, maar de resultaten zijn een krappe voldoende waard. Het positieve is dat de studenten van dit hele avontuur wel een boel hebben geleerd en dat ook laten weten. Achteraf, als pardoes meerdere versies naar de opdrachtgever zijn gemaild, krijgen we een bericht van het stilste meisje van de groep: ‘Opmerkzaamheid, initiatief tonen en de leiding (op tijd) nemen zijn mijn leerpunten geweest en deze pas ik maar meteen toe!’
Waarschijnlijk heeft dit groepje met alle strubbelingen meer geleerd dan de groepjes die in één keer een voldoende haalden.

Groepslessen

Wat was mijn les uit deze groepscrisis, met mij als deel van het team procesbegeleiders? Probeer, door te helpen met een actieplan, wekelijkse terugkoppeling, en bewaking van het nakomen van afspraken, conflicten in een groep te voorkomen. Ontstaat er toch een conflict, laat het er dan zijn. Stel studenten vooral de vraag achteraf: hoe zou je het volgende keer anders doen? Wat heb je hiervan geleerd? Ik denk dat – hoe moeilijk ook – de studenten het meeste leren als het een keer goed misgaat.

Reacties

Soms schiet een goedbedoelde vraag in het verkeerde keelgat. 

Ik heb een druk leven. De afgelopen week is mij vijf keer in twee dagen gevraagd op mijn werk: ‘Hoe doe je dat toch, een gezin, een promotietraject en een onderwijsaanstelling?’ Deze vraag schoot bij mij in het verkeerde keelgat. De eerste keer antwoordde ik: ‘Tja, ik doe er gewoon wat langer over’. De tweede keer probeerde ik wat anders: ‘Ja, het is inderdaad best veel’. De derde keer merkte ik dat de vraag mij in een negatieve spiraal bracht en zei ik: ‘Ja, ik moet ook nog ver reizen van werk naar huis’. Geen enkel antwoord gaf voldoening.

Bijbedoelingen

Ik begon me af te vragen wat mensen precies verwachten als antwoord op deze vraag. Zijn ze op zoek naar negatief nieuws? Willen zij horen dat het ‘inderdaad ondoenlijk is’? Of zijn ze gewoon oprecht geïnteresseerd en hebben ze er geen weet van dat ze de zoveelste zijn met die vraag? Bedoelen ze met deze vraag eigenlijk: ‘Ben je wel een goede moeder?’ En vooral: zouden mensen die vraag ook stellen aan mijn mannencollega’s die in dezelfde situatie zitten? Aha. Dat zit me dwars.


Verdediging

Afgezien van de bedoelingen en verwachtingen van collega’s die me zo’n vraag stellen, is het interessant waarom die vraag bij mij iets negatiefs oproept. Ik voel me aangevallen, raak gespannen terwijl ik dat eigenlijk niet ben, heb de behoefte om in de verdediging te schieten. Ik wil een bord op mijn hoofd plakken met ‘geen zorgen’, ‘het gaat best’, of ‘sorry, geen tijd’.


Drukke mannencollega’s

De beste oplossing is misschien een standaard antwoord bedenken waar ik me beter door voel: ‘Nou, fulltime onderwijs geven lijkt me veel zwaarder’ (dat denk ik echt), of ‘gaat prima, hoe hou jij het eigenlijk vol?’ (lekker de bal terugkaatsen). Misschien moeten we dit soort vragen wat vaker aan onze drukke mannencollega’s stellen. Die krijgen deze vraag bijna nooit en verdienen ook wel eens wat goedbedoelde overbezorgdheid.





Reacties

Beroepsdeformatie

Sinds ik aan mijn proefschrift over competitieve steden en internationale organisaties schrijf, lijkt het wel of ik alleen nog maar met drie perspectieven naar de wereld kan kijken. Als ik me niet aan die perspectieven vasthoud, ben ik verloren.

De drie ‘lenzen’ waarmee ik tegenwoordig naar de wereld kijk, hebben beslag op mijn denken gelegd. Het zijn de volgende gezichtspunten: institutioneel, instrumenteel en interactief. Niet alleen in mijn eigen onderzoek snijden deze perspectieven hout, maar ik gebruik ze ook om naar de organisatie van De Haagse Hogeschool te kijken.

Perspectieven

De institutionele lens is gericht op de normen en gedrag van besluitvormers. Hebben zij gezamenlijke gedragsnormen, bekijken zij beleidsprocessen op dezelfde manier, dan is hun kans van slagen hoger. Dat is althans mijn hypothese. De tweede lens is instrumenteel: wordt beleid goed geïmplementeerd, zijn er zo min mogelijk klachten, hoe zijn de beleidsstrategieën (hogeschoolbreed, van faculteiten, opleidingen) op elkaar afgestemd? De derde is de interactieve lens en gaat over het samenwerken, communiceren en ook het politieke spel. Zijn de belangrijkste spelers op De Haagse goed in de lobby die ze uitvoeren? Is de hogeschoolraad constructief bezig, of juist niet? Het is echt zo, die perspectieven geven houvast.

Analyse

Door De Haagse door deze drie lenzen te bekijken, krijg ik een beter beeld van hoe onze instelling succesvol is of misschien op sommige punten wat minder. Stel, het eerste perspectief is wel goed op orde, de besluitvormers hebben dezelfde ideeën over wat belangrijk is, maar het tweede perspectief niet, het beleid wordt niet goed geïmplementeerd, dan werkt het al niet. Ook is het derde perspectief van belang: de interactie tussen beslissers, de communicatie en samenwerking. Als die niet optimaal is en de andere twee perspectieven werken wel, dan is de organisatie alsnog niet zo succesvol als zij kan zijn.

Diep

Als je verschrikkelijk verdiept in zo’n onderzoeksmethode, dreigt natuurlijk altijd tunnelvisie. Of in dit geval een drievoudige tunnel. Maar ik ben blij met deze lenzen en beveel ze aan iedereen aan die perspectief zoekt.

Reacties

Terugblikkend op de eerste week van het nieuwe jaar heb ik alweer een paar dingen geleerd. Ten eerste lopen de meeste goede voornemens al binnen een week in de soep (beter niet doen dus). Ten tweede: we kunnen meer doen voor anderen.

Met mijn eerste goede voornemen, naar de bus fietsen, ging ik meteen al de mist in. Dit kwam doordat het de eerste dag van het jaar zó hard woei, zó koud was en zó donker en laat op de terugweg. Ineens snapte ik weer waarom ik bijna altijd met de auto naar de bus ging. Dit bleek meer een voornemen voor de lente.

Niet de bedoeling

Dan het tweede: elke dag opschrijven waarvoor ik dankbaar ben. Ik heb in een eerder blog beschreven dat je daar gelukkig van wordt. Dat is een vergissing. Ik hield het twee dagen vol. Iedere avond iets opschrijven, het voelde als een plicht, nog iets moeten, en dat was ook weer niet de bedoeling.

Reflectie

Derde en vierde voornemen: opschrijven wat ik heb geleerd van studenten. Ik wil graag na iedere les reflecteren op mijn les, over wat studenten mij bijbrachten en over mijn eigen successen en mislukkingen. Dat betekent feedback vragen aan studenten en na elke les een korte reflectie schrijven. Dat laatste is er niet van gekomen. Feedback vragen heb ik wel gedaan, maar niemand reageerde erop, dus waarschijnlijk was ik niet expliciet genoeg. Wat ik heb geleerd van studenten? Misschien wat ik al wist: interactief lesgeven werkt. Ze vinden het fijn om zelf aan de slag te gaan en quizjes te doen op hun telefoon of laptop.

Goed gelukt

Het vijfde voornemen dan: lessen van collega’s bijwonen. Dat is de eerste twee dagen goed gelukt! Ik heb twee lessen van anderen bijgewoond, één les van mij is bezocht door een collega. Na afloop schreven we een verslag voor elkaar. Bij het checken van de komende weken voor nog meer van dat goeds, strandde ik in volle agenda’s en bleken roosters niet te combineren met elkaar. Dat wordt ook doorgeschoven naar het voorjaar.

Zegeningen tellen

Ik had beter moeten weten: het is algemeen bekend dat voornemens al binnen de kortste keren stranden. Het gaat vaak om gedragsverandering, het werkt pas als je echt iets aan je leven wilt verbeteren. En eigenlijk ben ik al best blij met de gewoontes in mijn dagelijks leven en tel ik vaak mijn zegeningen. Ik heb een leuke baan, een lief gezin en een huis in een rustig dorp midden in de natuur.

Doneren

Vele anderen hebben het slechter of bevinden zich zelfs in een uitzichtloze situatie, zoals de groep Wij zijn hier, een groep ‘papierlozen’ die niet mogen blijven in Nederland maar ook nergens anders welkom zijn. Ik voel met ze mee en doneer daarom af en toe kleding of geld. Wil je je leven beteren, doe dan iets voor anderen, bijvoorbeeld voor deze groep. Dit is een oproep om meer goed te doen en minder te navelstaren. Kom uit je luie stoel biedt een luisterend oor of breng eens eten, kleren of drinken naar mensen die dit nodig hebben: zwervers, buren, asielzoekers of een studerende statushouder.

Reacties

Als je kleine kinderen hebt, en je je in de openbare ruimte begeeft, krijg je plots hulp aangeboden, anekdotes te horen en ongevraagde adviezen. Je bent met je kleintjes publiek bezit geworden.

In een roman van Sandro Veronesi klaagde een vrouw, dat ze geen positieve aandacht meer kreeg uit haar omgeving sinds haar kinderen vier waren geworden. Ze miste de aanspraak, de aandacht van onbekenden en de glimlach die kleine kinderen op de een of andere manier bij iedereen op het gezicht toverden.


Weg uit de anonimiteit

Als ik met mijn kinderen over straat loop, benaderen onbekenden me steevast met een glimlach, dit komt vaak doordat kinderen ongegeneerd mensen aanstaren. Zelfs als ik ze niet bij me hebt, maar wel een teken van hun afwezigheid meetors (een fietsstoeltje, autostoeltjes etc.) krijg ik meevoelende blikken, een glimlach, een blijk van verwantschap van andere ouders. Hier moest ik in het begin aan wennen. Vrijwillig of niet: ik was weg uit de anonimiteit, ik was ineens van iedereen.


Pannenkoek

Vorige maand zat ik met de jongste van anderhalf in de bus. Op de heenweg kregen we vriendelijke blikken, een zakdoek (ze knoeide nogal met een mandarijn) en een verhaal toen ze bijna op de stopknop drukte.  Het verhaal ging over een Amsterdamse tramchauffeur die toeristen uitschold voor “pannenkoek”- en later pancake – omdat ze aan de noodrem trokken waardoor de tram woest stil kwam te staan. Een grappig verhaal dat ik zonder mijn kleine nooit gehoord zou hebben.


Bemoeizucht

Op de terugweg adviseerde een bemoeizuchtige vrouw mij dat ik beter bij het raam kon zitten, wat ik negeerde, terwijl een man opkeek van een spelletje op zijn telefoon om met de kleine te brabbelen. Van beide passagiers weet ik nu hoe oud hun kinderen zijn en wanneer je (volgens de mevrouw) wel en niet de oudste kunt laten oppassen op de jongste terwijl je van huis bent. Informatie die mij het gevoel geeft ergens deel van uit te maken. Ik hoor erbij.


Zonder zitjes

Onze oudste is nu vier. Dit is het begin van het einde van alle positieve aandacht, als ik Veronesi moet geloven. Ergens bekruipt mij een beklemmend gevoel, anticipeer ik op ontwenningsverschijnselen, omdat straks de onbekenden me anders gaan benaderen. Op mijn fiets in Den Haag, zonder zitjes, kan ik alvast wennen aan dit gevoel. En op andere plekken waar ik met de kleintjes ben, ga ik nog even flink genieten van alle bemoeizucht. Want we doen het blijkbaar niet alleen, ons nageslacht rijp maken voor het echte leven. Door kinderen ben je nooit alleen.

 
 





Reacties

Amsterdam heeft goed gelobbyd; op 20 november is het fel begeerde EMA daar binnengehaald. Hoe verliep de finale?

Allereerst zijn er drie blokken ontstaan tijdens de lobby voor het Europees Medicijnen Agentschap EMA. Het Oost-Europese blok schaarde zich achter de Slowaakse hoofdstad Bratislava. Een Zuid-Europese lobby ontstond voor Milaan (die stemmen ontving van Griekenland, Malta, Roemenië en Cyprus). Daarom leek het moeilijk voor Amsterdam, met als grote concurrent Kopenhagen, om steun te verzamelen.

Wouter Bos reisde onvermoeibaar Europa rond om bijvoorbeeld Oost-Europese landen te beloven in de toekomst belangrijke medische kennis te delen in ruil voor hun stem op Amsterdam. Doordat Malta op het laatste moment afhaakte en daarop volgend ook Kroatië en Ierland, waren er nog maar zestien landen in de race op 20 november 2017. Spannend, want deze landen stemden wel mee, maar hun zes stemmen in de eerste ronde gingen niet meer naar hun eigen stad.

In de tweede stemronde bleven Milaan met 25 stemmen, en Kopenhagen en Amsterdam met elk 20 stemmen over. Bratislava (15 stemmen) en Barcelona (12 stemmen) vielen net buiten de top drie. In de volgende ronde kwamen vervolgens Milaan (12 stemmen) en Amsterdam (9 stemmen). In de laatste ronde werd het pas echt spannend: gelijkspel. Beide steden kregen 13 stemmen, één van de EU-landen heeft zich onthouden van stemming. Er zijn lootjes getrokken. Amsterdam kwam als winnaar uit de bus. De troostprijs, het Europese Banken Agentschap EBA, ging naar Parijs. Dit tot groot verdriet van Frankfurt en Duitsland, die op dit moment toch al in zwaar weer zitten met hun electorale strubbelingen.

Ruim tachtig procent van het EMA-personeel heeft aangegeven naar Amsterdam te willen verhuizen. Het tijdpad is strak: op 30 maart 2019 moet de transitie voltooid zijn. De grote uitdaging van nu is het gebouw op tijd optrekken op de Zuid-As en de Internationale en Europese scholen uitbreiden, voordat er zo'n 300 kinderen bij komen.

 
 
Reacties

We doen ons best om bedrijven aan De Haagse te binden, maar dat kan nog beter.

Op 3 november was ik te gast op de Captains’ Conference in WTC Den Haag, een tweedaags congres over het versterken van Den Haag als ‘global talent hub’. Hoe maak je van deze stad een talentenbroedplaats? Er waren inspirerende sprekers, validatiesessies en ‘escalator pitches’: jonge professionals die met de roltrap omhoog en weer omlaag gingen tijdens hun korte praatje. Er is veel gesproken over de samenwerkingen in de stad, maar ook in de regio en over hoe Den Haag internationaal versterkt kan worden.

Trots

Ik voelde me vereerd dat ook ik op het podium iets mocht zeggen over wat Den Haag kan leren van andere steden en hoe kennis in de stad kan helpen om Internationale Organisaties aan te trekken. De Haagse Hogeschool speelt daarin een belangrijke rol. We doen het goed, sinds september weten we dat wij – wederom – de beste hogeschool van de Randstad zijn en daar ben ik best wel trots op.

Schamen

En toch. Er kwam de eerste avond van de Captains’ Conference een meneer naar me toe van Jacobs Engineering Group. Hij vertelde mij dat hij met bijna alle technische opleidingen in de regio samenwerkt, behalve met die van De Haagse. Hij vertelde mij en twee studenten Bedrijfskunde die mee waren, dat hij ‘zich schaamde’, omdat hij niet eens het hoofd van onze technische opleiding kent. Het maakte hem niets uit, voor ons tien anderen, maar ik vond het pijnlijk. Deze man kende wel veel goede docenten aan onze hogeschool, maar vond dat het CvB hierin het voortouw zou moeten nemen.

Signaal

Het signaal zette mij aan het denken. Het is niet de eerste keer dat ik dit soort geluiden hoor uit het werkveld. Enerzijds zijn we heel actief, individuele docenten doen hun best, ook het Team Externe Relaties van OKC dat vanuit één punt externe contacten onderhoudt, doet het goed. Maar is het niet de taak van directeuren, bestuurders en opleidingsmanagers om bedrijven naar binnen te halen en daar contacten mee te onderhouden? Is het niet zo dat, juist als je met invloedrijke, grote spelers wilt samenwerken, je dan de grote jongens moet sturen: directeuren, CEO’s en hogere managementlagen? Zou niet iedere opleiding verplicht een grote speler kunnen binnenhalen? Ik denk het wel.

We doen het goed, zeker, maar het kan natuurlijk altijd beter. Laten we de bedrijven uit de regio nog meer aan ons verbinden, het liefst zó, dat grote spelers niet om De Haagse heen kunnen.

Reacties

Docenten en studenten spreken verschillende talen. Er gaapt een kloof tussen de twee, zowel in sociaal-cultureel opzicht als in opleidingsniveaus. Logisch natuurlijk. Maar hoe verkleinen we met z'n allen deze afstand?

De laatste tijd hoor ik veel docenten klagen (mijzelf incluis) over studenten die zich grof gedragen in de les, onbeschoft en ongeïnteresseerd zijn, en weinig respect tonen. De klachten gaan vooral over eerstejaars die voor het merendeel vers uit de (middelbare) schoolbanken komen om snel een ‘papiertje te komen halen’. Het principe ‘een leven lang leren’ ontgaat veel studenten in deze fase volledig.

Als je geen ‘papiertje’ hebt, dan tel je nu eenmaal niet mee in onze samenleving. We leven in een diplomademocratie en De Haagse Hogeschool is, samen met vele andere instellingen, een massaal kennisinstituut geworden. Zoals we in een van de vorige blogs hebben kunnen lezen is onze hogeschool in twintig jaar twee keer zo groot geworden.

Het is onrealistisch om ervan uit te gaan dat al deze studenten het niveau ook aankunnen. De diplomadrang zorgt ervoor dat er grote groepen zijn die het eindniveau niet halen. Enerzijds staat het eindniveau onder druk door de wil om studenten te behouden, anderzijds is er een tegengestelde beweging; het hoge onderwijsniveau is heilig. Er is gemiddeld twintig procent uitval na drie jaar. Sommigen vallen snel af, anderen komen in een worsteltraject.

Terug naar de klachten van docenten over studenten. Deze lopen uiteen, van ‘ze hebben géén idee wat er in de kranten staat’ en ‘zitten er als zandzakken bij’, tot ‘ze weten niet eens hoe ze moeten vermenigvuldigen’ en ‘ze kunnen niet eens in fatsoenlijk Nederlands een vraag stellen, laat staan een professionele email schrijven’. Er heerst een wij-zijcultuur.

Veel docenten geven les aan een groep jongeren waarmee zij zich maar moeilijk kunnen identificeren. Zelf hebben ze vaak een universitaire achtergrond, uitzonderingen daargelaten. Een boek lezen omdat het leerzaam of leuk is, de kranten bijhouden: docenten doen dat, maar studenten veel minder. De afstand is groot en over dit soort dingen wordt nauwelijks gesproken.

De kloof kunnen we alleen maar dichten door de wij-zijcultuur te bestrijden en meer samen te werken. Niet alleen als docententeams, maar vooral ook mét de studenten. Het klinkt misschien belerend of geitenwollensokkerig, maar het gaat over betrokkenheid en vertrouwen geven.

Studenten mogen natuurlijk wel wat meer aangespoord worden om zich ook buiten het curriculum te informeren. Denk aan het idee van lector Jacco van Uden: de invoering van een literaire boekenlijst voor het HBO (vijftien romans per opleiding). Geweldig! Een hoogopgeleide leest wel eens een boek, kent haar talen en houdt het nieuws bij. Dat kunnen docenten de jongeren wel aanleren toch?

Reacties
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl