Rosa Groen
docent, onderzoeker, journalist
Recente Tweets
Abonneren
Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!
Laatste reacties
Laatste artikelen

Beroepsdeformatie

Sinds ik aan mijn proefschrift over competitieve steden en internationale organisaties schrijf, lijkt het wel of ik alleen nog maar met drie perspectieven naar de wereld kan kijken. Als ik me niet aan die perspectieven vasthoud, ben ik verloren.

De drie ‘lenzen’ waarmee ik tegenwoordig naar de wereld kijk, hebben beslag op mijn denken gelegd. Het zijn de volgende gezichtspunten: institutioneel, instrumenteel en interactief. Niet alleen in mijn eigen onderzoek snijden deze perspectieven hout, maar ik gebruik ze ook om naar de organisatie van De Haagse Hogeschool te kijken.

Perspectieven

De institutionele lens is gericht op de normen en gedrag van besluitvormers. Hebben zij gezamenlijke gedragsnormen, bekijken zij beleidsprocessen op dezelfde manier, dan is hun kans van slagen hoger. Dat is althans mijn hypothese. De tweede lens is instrumenteel: wordt beleid goed geïmplementeerd, zijn er zo min mogelijk klachten, hoe zijn de beleidsstrategieën (hogeschoolbreed, van faculteiten, opleidingen) op elkaar afgestemd? De derde is de interactieve lens en gaat over het samenwerken, communiceren en ook het politieke spel. Zijn de belangrijkste spelers op De Haagse goed in de lobby die ze uitvoeren? Is de hogeschoolraad constructief bezig, of juist niet? Het is echt zo, die perspectieven geven houvast.

Analyse

Door De Haagse door deze drie lenzen te bekijken, krijg ik een beter beeld van hoe onze instelling succesvol is of misschien op sommige punten wat minder. Stel, het eerste perspectief is wel goed op orde, de besluitvormers hebben dezelfde ideeën over wat belangrijk is, maar het tweede perspectief niet, het beleid wordt niet goed geïmplementeerd, dan werkt het al niet. Ook is het derde perspectief van belang: de interactie tussen beslissers, de communicatie en samenwerking. Als die niet optimaal is en de andere twee perspectieven werken wel, dan is de organisatie alsnog niet zo succesvol als zij kan zijn.

Diep

Als je verschrikkelijk verdiept in zo’n onderzoeksmethode, dreigt natuurlijk altijd tunnelvisie. Of in dit geval een drievoudige tunnel. Maar ik ben blij met deze lenzen en beveel ze aan iedereen aan die perspectief zoekt.

Reacties

Terugblikkend op de eerste week van het nieuwe jaar heb ik alweer een paar dingen geleerd. Ten eerste lopen de meeste goede voornemens al binnen een week in de soep (beter niet doen dus). Ten tweede: we kunnen meer doen voor anderen.

Met mijn eerste goede voornemen, naar de bus fietsen, ging ik meteen al de mist in. Dit kwam doordat het de eerste dag van het jaar zó hard woei, zó koud was en zó donker en laat op de terugweg. Ineens snapte ik weer waarom ik bijna altijd met de auto naar de bus ging. Dit bleek meer een voornemen voor de lente.

Niet de bedoeling

Dan het tweede: elke dag opschrijven waarvoor ik dankbaar ben. Ik heb in een eerder blog beschreven dat je daar gelukkig van wordt. Dat is een vergissing. Ik hield het twee dagen vol. Iedere avond iets opschrijven, het voelde als een plicht, nog iets moeten, en dat was ook weer niet de bedoeling.

Reflectie

Derde en vierde voornemen: opschrijven wat ik heb geleerd van studenten. Ik wil graag na iedere les reflecteren op mijn les, over wat studenten mij bijbrachten en over mijn eigen successen en mislukkingen. Dat betekent feedback vragen aan studenten en na elke les een korte reflectie schrijven. Dat laatste is er niet van gekomen. Feedback vragen heb ik wel gedaan, maar niemand reageerde erop, dus waarschijnlijk was ik niet expliciet genoeg. Wat ik heb geleerd van studenten? Misschien wat ik al wist: interactief lesgeven werkt. Ze vinden het fijn om zelf aan de slag te gaan en quizjes te doen op hun telefoon of laptop.

Goed gelukt

Het vijfde voornemen dan: lessen van collega’s bijwonen. Dat is de eerste twee dagen goed gelukt! Ik heb twee lessen van anderen bijgewoond, één les van mij is bezocht door een collega. Na afloop schreven we een verslag voor elkaar. Bij het checken van de komende weken voor nog meer van dat goeds, strandde ik in volle agenda’s en bleken roosters niet te combineren met elkaar. Dat wordt ook doorgeschoven naar het voorjaar.

Zegeningen tellen

Ik had beter moeten weten: het is algemeen bekend dat voornemens al binnen de kortste keren stranden. Het gaat vaak om gedragsverandering, het werkt pas als je echt iets aan je leven wilt verbeteren. En eigenlijk ben ik al best blij met de gewoontes in mijn dagelijks leven en tel ik vaak mijn zegeningen. Ik heb een leuke baan, een lief gezin en een huis in een rustig dorp midden in de natuur.

Doneren

Vele anderen hebben het slechter of bevinden zich zelfs in een uitzichtloze situatie, zoals de groep Wij zijn hier, een groep ‘papierlozen’ die niet mogen blijven in Nederland maar ook nergens anders welkom zijn. Ik voel met ze mee en doneer daarom af en toe kleding of geld. Wil je je leven beteren, doe dan iets voor anderen, bijvoorbeeld voor deze groep. Dit is een oproep om meer goed te doen en minder te navelstaren. Kom uit je luie stoel biedt een luisterend oor of breng eens eten, kleren of drinken naar mensen die dit nodig hebben: zwervers, buren, asielzoekers of een studerende statushouder.

Reacties

Als je kleine kinderen hebt, en je je in de openbare ruimte begeeft, krijg je plots hulp aangeboden, anekdotes te horen en ongevraagde adviezen. Je bent met je kleintjes publiek bezit geworden.

In een roman van Sandro Veronesi klaagde een vrouw, dat ze geen positieve aandacht meer kreeg uit haar omgeving sinds haar kinderen vier waren geworden. Ze miste de aanspraak, de aandacht van onbekenden en de glimlach die kleine kinderen op de een of andere manier bij iedereen op het gezicht toverden.


Weg uit de anonimiteit

Als ik met mijn kinderen over straat loop, benaderen onbekenden me steevast met een glimlach, dit komt vaak doordat kinderen ongegeneerd mensen aanstaren. Zelfs als ik ze niet bij me hebt, maar wel een teken van hun afwezigheid meetors (een fietsstoeltje, autostoeltjes etc.) krijg ik meevoelende blikken, een glimlach, een blijk van verwantschap van andere ouders. Hier moest ik in het begin aan wennen. Vrijwillig of niet: ik was weg uit de anonimiteit, ik was ineens van iedereen.


Pannenkoek

Vorige maand zat ik met de jongste van anderhalf in de bus. Op de heenweg kregen we vriendelijke blikken, een zakdoek (ze knoeide nogal met een mandarijn) en een verhaal toen ze bijna op de stopknop drukte.  Het verhaal ging over een Amsterdamse tramchauffeur die toeristen uitschold voor “pannenkoek”- en later pancake – omdat ze aan de noodrem trokken waardoor de tram woest stil kwam te staan. Een grappig verhaal dat ik zonder mijn kleine nooit gehoord zou hebben.


Bemoeizucht

Op de terugweg adviseerde een bemoeizuchtige vrouw mij dat ik beter bij het raam kon zitten, wat ik negeerde, terwijl een man opkeek van een spelletje op zijn telefoon om met de kleine te brabbelen. Van beide passagiers weet ik nu hoe oud hun kinderen zijn en wanneer je (volgens de mevrouw) wel en niet de oudste kunt laten oppassen op de jongste terwijl je van huis bent. Informatie die mij het gevoel geeft ergens deel van uit te maken. Ik hoor erbij.


Zonder zitjes

Onze oudste is nu vier. Dit is het begin van het einde van alle positieve aandacht, als ik Veronesi moet geloven. Ergens bekruipt mij een beklemmend gevoel, anticipeer ik op ontwenningsverschijnselen, omdat straks de onbekenden me anders gaan benaderen. Op mijn fiets in Den Haag, zonder zitjes, kan ik alvast wennen aan dit gevoel. En op andere plekken waar ik met de kleintjes ben, ga ik nog even flink genieten van alle bemoeizucht. Want we doen het blijkbaar niet alleen, ons nageslacht rijp maken voor het echte leven. Door kinderen ben je nooit alleen.

 
 





Reacties

Amsterdam heeft goed gelobbyd; op 20 november is het fel begeerde EMA daar binnengehaald. Hoe verliep de finale?

Allereerst zijn er drie blokken ontstaan tijdens de lobby voor het Europees Medicijnen Agentschap EMA. Het Oost-Europese blok schaarde zich achter de Slowaakse hoofdstad Bratislava. Een Zuid-Europese lobby ontstond voor Milaan (die stemmen ontving van Griekenland, Malta, Roemenië en Cyprus). Daarom leek het moeilijk voor Amsterdam, met als grote concurrent Kopenhagen, om steun te verzamelen.

Wouter Bos reisde onvermoeibaar Europa rond om bijvoorbeeld Oost-Europese landen te beloven in de toekomst belangrijke medische kennis te delen in ruil voor hun stem op Amsterdam. Doordat Malta op het laatste moment afhaakte en daarop volgend ook Kroatië en Ierland, waren er nog maar zestien landen in de race op 20 november 2017. Spannend, want deze landen stemden wel mee, maar hun zes stemmen in de eerste ronde gingen niet meer naar hun eigen stad.

In de tweede stemronde bleven Milaan met 25 stemmen, en Kopenhagen en Amsterdam met elk 20 stemmen over. Bratislava (15 stemmen) en Barcelona (12 stemmen) vielen net buiten de top drie. In de volgende ronde kwamen vervolgens Milaan (12 stemmen) en Amsterdam (9 stemmen). In de laatste ronde werd het pas echt spannend: gelijkspel. Beide steden kregen 13 stemmen, één van de EU-landen heeft zich onthouden van stemming. Er zijn lootjes getrokken. Amsterdam kwam als winnaar uit de bus. De troostprijs, het Europese Banken Agentschap EBA, ging naar Parijs. Dit tot groot verdriet van Frankfurt en Duitsland, die op dit moment toch al in zwaar weer zitten met hun electorale strubbelingen.

Ruim tachtig procent van het EMA-personeel heeft aangegeven naar Amsterdam te willen verhuizen. Het tijdpad is strak: op 30 maart 2019 moet de transitie voltooid zijn. De grote uitdaging van nu is het gebouw op tijd optrekken op de Zuid-As en de Internationale en Europese scholen uitbreiden, voordat er zo'n 300 kinderen bij komen.

 
 
Reacties

We doen ons best om bedrijven aan De Haagse te binden, maar dat kan nog beter.

Op 3 november was ik te gast op de Captains’ Conference in WTC Den Haag, een tweedaags congres over het versterken van Den Haag als ‘global talent hub’. Hoe maak je van deze stad een talentenbroedplaats? Er waren inspirerende sprekers, validatiesessies en ‘escalator pitches’: jonge professionals die met de roltrap omhoog en weer omlaag gingen tijdens hun korte praatje. Er is veel gesproken over de samenwerkingen in de stad, maar ook in de regio en over hoe Den Haag internationaal versterkt kan worden.

Trots

Ik voelde me vereerd dat ook ik op het podium iets mocht zeggen over wat Den Haag kan leren van andere steden en hoe kennis in de stad kan helpen om Internationale Organisaties aan te trekken. De Haagse Hogeschool speelt daarin een belangrijke rol. We doen het goed, sinds september weten we dat wij – wederom – de beste hogeschool van de Randstad zijn en daar ben ik best wel trots op.

Schamen

En toch. Er kwam de eerste avond van de Captains’ Conference een meneer naar me toe van Jacobs Engineering Group. Hij vertelde mij dat hij met bijna alle technische opleidingen in de regio samenwerkt, behalve met die van De Haagse. Hij vertelde mij en twee studenten Bedrijfskunde die mee waren, dat hij ‘zich schaamde’, omdat hij niet eens het hoofd van onze technische opleiding kent. Het maakte hem niets uit, voor ons tien anderen, maar ik vond het pijnlijk. Deze man kende wel veel goede docenten aan onze hogeschool, maar vond dat het CvB hierin het voortouw zou moeten nemen.

Signaal

Het signaal zette mij aan het denken. Het is niet de eerste keer dat ik dit soort geluiden hoor uit het werkveld. Enerzijds zijn we heel actief, individuele docenten doen hun best, ook het Team Externe Relaties van OKC dat vanuit één punt externe contacten onderhoudt, doet het goed. Maar is het niet de taak van directeuren, bestuurders en opleidingsmanagers om bedrijven naar binnen te halen en daar contacten mee te onderhouden? Is het niet zo dat, juist als je met invloedrijke, grote spelers wilt samenwerken, je dan de grote jongens moet sturen: directeuren, CEO’s en hogere managementlagen? Zou niet iedere opleiding verplicht een grote speler kunnen binnenhalen? Ik denk het wel.

We doen het goed, zeker, maar het kan natuurlijk altijd beter. Laten we de bedrijven uit de regio nog meer aan ons verbinden, het liefst zó, dat grote spelers niet om De Haagse heen kunnen.

Reacties

Docenten en studenten spreken verschillende talen. Er gaapt een kloof tussen de twee, zowel in sociaal-cultureel opzicht als in opleidingsniveaus. Logisch natuurlijk. Maar hoe verkleinen we met z’n allen deze afstand?

De laatste tijd hoor ik veel docenten klagen (mijzelf incluis) over studenten die zich grof gedragen in de les, onbeschoft en ongeïnteresseerd zijn, en weinig respect tonen. De klachten gaan vooral over eerstejaars die voor het merendeel vers uit de (middelbare) schoolbanken komen om snel een ‘papiertje te komen halen’. Het principe ‘een leven lang leren’ ontgaat veel studenten in deze fase volledig.

Als je geen ‘papiertje’ hebt, dan tel je nu eenmaal niet mee in onze samenleving. We leven in een diplomademocratie en De Haagse Hogeschool is, samen met vele andere instellingen, een massaal kennisinstituut geworden. Zoals we in een van de vorige blogs hebben kunnen lezen is onze hogeschool in twintig jaar twee keer zo groot geworden.

Het is onrealistisch om ervan uit te gaan dat al deze studenten het niveau ook aankunnen. De diplomadrang zorgt ervoor dat er grote groepen zijn die het eindniveau niet halen. Enerzijds staat het eindniveau onder druk door de wil om studenten te behouden, anderzijds is er een tegengestelde beweging; het hoge onderwijsniveau is heilig. Er is gemiddeld twintig procent uitval na drie jaar. Sommigen vallen snel af, anderen komen in een worsteltraject.

Terug naar de klachten van docenten over studenten. Deze lopen uiteen, van ‘ze hebben géén idee wat er in de kranten staat’ en ‘zitten er als zandzakken bij’, tot ‘ze weten niet eens hoe ze moeten vermenigvuldigen’ en ‘ze kunnen niet eens in fatsoenlijk Nederlands een vraag stellen, laat staan een professionele email schrijven’. Er heerst een wij-zijcultuur.

Veel docenten geven les aan een groep jongeren waarmee zij zich maar moeilijk kunnen identificeren. Zelf hebben ze vaak een universitaire achtergrond, uitzonderingen daargelaten. Een boek lezen omdat het leerzaam of leuk is, de kranten bijhouden: docenten doen dat, maar studenten veel minder. De afstand is groot en over dit soort dingen wordt nauwelijks gesproken.

De kloof kunnen we alleen maar dichten door de wij-zijcultuur te bestrijden en meer samen te werken. Niet alleen als docententeams, maar vooral ook mét de studenten. Het klinkt misschien belerend of geitenwollensokkerig, maar het gaat over betrokkenheid en vertrouwen geven.

Studenten mogen natuurlijk wel wat meer aangespoord worden om zich ook buiten het curriculum te informeren. Denk aan het idee van lector Jacco van Uden: de invoering van een literaire boekenlijst voor het HBO (vijftien romans per opleiding). Geweldig! Een hoogopgeleide leest wel eens een boek, kent haar talen en houdt het nieuws bij. Dat kunnen docenten de jongeren wel aanleren toch?

Reacties

Zie voor de langere versie van dit artikel: https://eurosearch.wordpress.com/2017/09/13/ema-en-eba-wat-is-de-stand-van-zaken/ 

De strijd tussen EU-landen is nu op zijn heetst, om de organisaties EMA en EBA binnen te hengelen. Net als veel bedrijven maken deze agentschappen deel uit van de ‘Brexodus’. Wat is de stand van zaken?

Zoals ik hier al eerder schreef, heeft Nederland Amsterdam naar voren geschoven als mogelijke gaststad voor het European Medicines Agency (EMA). In totaal hebben meer dan twintig landen zich kandidaat gesteld voor deze organisatie en voor de European Banking Authority (EBA). Twee ‘parels van de EU’ die gaan verhuizen. Een aderlating voor het VK en lucratief voor de nieuwe gastheer. Bij het EMA en de EBA samen werken ruim 1000 experts, de agentschappen zijn goed voor 45.000 jaarlijkse bezoekers. Ze werken als een magneet voor talloze vormen van bedrijvigheid. 

Concurrentiestrijd
Het nieuws over deze strijd tussen EU-landen en steden volg ik op de voet, omdat het veel te maken heeft met mijn onderzoek naar internationale organisaties. Het boeit mij enorm hoe er gelobbyd wordt om deze agentschappen binnen te halen en ik denk dat studenten hier veel van kunnen leren, vooral als ingezoomd wordt op hoe belangen van verschillende partijen worden uitgeruild.

Na aanvankelijke interesse van bijna alle EU-landen om zich te kandideren, strijden uiteindelijk 19 landen voor het EMA en acht voor de EBA. Hoeveel moeite deden landen eigenlijk om de wensen van de organisaties zelf te doorgronden? Om bij het EMA te blijven: Nederland, Ierland en Denemarken organiseerden speciale events in Brussel om hun bids te presenteren. Vijf van de 23 geïnteresseerde landen hadden geen tijd om het EMA in Londen te bezoeken. Van de landen die dat wel deden, was Hongarije de eerste. Sommige landen hebben méér dan eens het agentschap bezocht, waaronder Oostenrijk (drie keer), Denemarken en Frankrijk (beide twee keer). Ministers van gezondheid van nog zeven andere landen zijn allemaal langs geweest. Andere landen hebben plaatsvervangers gestuurd. Allemaal lieten ze flyers achter om EMA-personeel te overtuigen om in hún land te komen wonen en werken.

Arjen Lubach parodie
Alle pitches zijn op de website van de Europese Raad (ER) te zien. Met filmpjes, tekst en websites proberen landen zich van elkaar te onderscheiden. Het filmpje voor Nederland doet soms denken aan een Arjen Lubach parodie. Het filmpje begint met: “After all, we’re not that different: We also have a very stylish queen and we enjoy fish and chips” (beeld van een man die een haring naar binnen hapt). Vervolgens worden een aantal meer relevante zaken genoemd, maar dan eindigt het met “The Dutch are open-minded folk, with a lively international capital to prove it” (plaatje van Koningsdagvierders). Overtuigender lijken de filmpjes van andere landen: minder volksaard en meer steekhoudende argumenten. Als je de pitches achter elkaar bekijkt, lijkt het net het Eurovisiesongfestival. Misschien is de strijd om Europese agentschappen wel een leuk alternatief voor die steeds saaier wordende liedjeswedstrijd. 

Lobby
Na het indienen van de pitches is het lobbyen begonnen. Hoewel de EBA en EMA als twee verschillende gevallen behandeld moeten worden, gaan er geruchten over ruilhandel. Frankrijk zou aan Duitsland voorgesteld hebben om Frankfurt de EBA te gunnen, als het EMA in Lille terecht zou komen. Een ander verhaal gaat dat de Fransen hun steun zouden uitspreken voor Frankfurt als een Oost-Europees land voor het EMA in aanmerking zou komen, in ruil voor het financieel versterken van een bestaand Frans agentschap. Best ingewikkeld allemaal. Duitsland wedt op beide agentschappen, in de hoop dat het in ieder geval de EBA binnenhaalt. Ondertussen wordt door de Oost-Europeanen achter de schermen gelobbyd om voorrang te krijgen op landen die al een agentschap hebben.

 

Wat zal het worden? Geeft de Europese Raad voorrang aan een land dat nog geen agentschappen heeft, of aan een centraal gelegen stad die makkelijk bereikbaar is en waar de transitie soepel zal verlopen? Het hangt af van de lobby en hoeveel steunruil er plaatsvindt. Het land met het meeste ‘wisselgeld’ en de slimste onderhandelaars zal uiteindelijk de winnaar zijn.

 




Reacties

Japi zegt steeds meer dingen waar ik van ophoor. Zo vertelde ik hem vorige week dat de buschauffeur doorreed terwijl ik dacht dat hij voor me zou stoppen. Japi's antwoord: "Jij hebt altijd van die stomme dingen. Dat heb ik nooit! Als ik mijn hand ophoud, dan stopt de bus gewoon."

Misschien niet zo bijzonder, zo'n antwoord, maar voor iemand van drie.. oké, bijna vier?!

Japi is tegenwoordig helemaal in een dinosauriërstijdperk en verzint namen als Stekelosaurus, chyromontorosaurus, etc. Ook heeft hij het over race-auto's die zó snel rijden: 'van Zuid-Amsterdam tot Afrika!'. En als je aan hem vraagt wanneer hij groot is, want al het interessante begint voor hem als hij groot is, dan is het antwoord steevast: "in september". Dan wordt hij vier. Een nieuwe fase breekt aan. Beware.





Reacties

Waarom plannen moeilijk is, ook als je het al heel lang doet

Het maken van een planning is lastig. Of beter: je houden aan een gemaakte planning is hondsmoeilijk. Niet alleen voor studenten, maar voor iedereen die iets wil bereiken. Waarom is dat zo en wat kunnen we eraan doen?

Al jaren maak ik een planning die te ambitieus is. Al jaren lukt het me niet om zaken af te ronden binnen de gewenste tijd. Laatst was ik op een werklunch over planmatig werken. Wat blijkt? Het is niet alleen voor perfectionisten moeilijk om een planning te maken en zich eraan te houden: het is gewoon menselijk! Vooral als het iets is dat je voor jezelf doet en niet voor een ‘baas’.

Zo heb ik bijvoorbeeld (bijna) geen moeite om tentamens op tijd af te ronden en op tijd na te kijken, colleges goed voor te bereiden of andere zaken die met onderwijs te maken hebben. Maar als het om ‘mijn’ onderzoek gaat, is het andere koek. Nu is dat een meerjarenplanning, wat de zaken compliceert. Maar het is ook zo dat een bepaald mechanisme optreedt als je iets moeilijks ver vooruit plant.

Je betere zelf

Als je in de toekomst jezelf iets ziet doen, dan is het beeld van jou in de toekomst meestal te rooskleurig. Met het maken van een planning hou je rekening met ‘je betere zelf’. Je kijkt bij het maken van een planning niet naar hoe iets nu gaat, maar naar hoe iets wellicht in de toekomst zou moeten kunnen gaan. In een planning denk je dus eigenlijk aan jouw gewenste zelf: niet wat je kan maar wat je wilt kunnen.

Een mooi beeld, zou je kunnen denken, dat je jezelf in de toekomst dingen beter ziet doen dan in het nu. Maar ook onrealistisch. Wat je bereikt met planningen die je niet haalt, is dat je teleurgesteld raakt in jezelf. Dat je tegen jezelf kunt zeggen: zie je wel, ik kan het niet. Dat je jezelf als het ware ontmoedigt om verder te gaan. Dat is natuurlijk niet de bedoeling van een planning!

Nieuwe planning

Hier een aantal tips om een realistische planning te maken, als blijkt dat de ‘betere zelf’ weer eens de leiding neemt:

  • Hou rekening met de omweg die je meestal neemt naar een einddoel door tijd in te ruimen voor mislukkingen.
  • Kijk naar de afgelopen weken en hoeveel tijd een bepaalde taak gekost heeft, neem dat tempo als voorbeeld voor de toekomst.
  • Of, als je significant sneller moet werken dan je nu doet: bekijk goed wat je dan moet laten schieten, waar je de tijd vandaan kunt halen.
  • Schrijf niet alleen de deadlines op, maar specifiek waaraan je werkt en wanneer, tot de deadline.
  • Ruim tijd in voor opruimen, boodschappen doen en sporten.
  • En de belangrijkste: maak een nieuwe planning als je de oude niet heb gehaald.

Dat is precies wat ik nu ga doen.

 
 
Reacties

Opinie in Het Parool, 28 april 2017

Reacties
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl